Minnesma-klimaatzaak
Marjan Minnesma met haar advocaten na het proces.

Een gastbijdrage van Hugo Matthijssen.

Urgenda heeft de staat voor de rechter gedaagd en de rechtbank in Den Haag heeft op 26 juni beslist dat de Staat meer moet doen om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland te verminderen. De eis is dat dat de CO2–uitstoot van Nederland in 2020 ten minste 25% lager is dan in 1990.  In het vonnis wordt aangegeven dat partijen het erover eens zijn dat de ernst en omvang van het  klimaatprobleem het noodzakelijk maken om extra maatregelen te nemen ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

Op basis van het huidige beleid gaat de overheid er van uit dat Nederland in 2020 een vermindering van ten hoogste 17% zal bereiken ten opzichte van 1990. Urgenda is van mening dat dit meer moet zijn  en de staat bescherming moet bieden tegen wat zij noemen het dreigende gevaar van klimaatverandering. Ook wordt door Urgenda aangegeven dat de staat een zorgplicht heeft t.a.v. de bescherming en verbetering van het leefmilieu
Duidelijk is dat de rechter bij het onderbouwen van het vonnis uitgaat van informatie die door beide partijen in deze zaak is ingebracht. De belangrijkste punten zijn:

  • Beide partijen twijfelen er niet aan dat “de opwarming” (klimaatverandering) een gevolg is van meer CO2–uitstoot.
  • Beide partijen zijn van mening dat deze opwarming door menselijk handelen is toegenomen en de aarde daardoor gevaarlijk zal opwarmen.
  • Beide partijen gaan er van uit dat je met technische oplossingen en dan met name door inzet van energieopwekking met behulp van wind, zon en biomassa de CO2–uitstoot kan terugbrengen en we daarmee onze energievraag in de toekomst kunnen invullen.

De rechter neemt als uitgangspunt deze informatie die door de partijen niet wordt aangevochten zodat de vraagstelling wat de uitspraak betreft niet veel verder gaat als: doet de overheid genoeg om opwarming door toedoen van de mens tegen te gaan.

De regering heeft een energieakkoord gesloten en gaan er van uit dat dit voldoende is om beleidsmatig gestelde doelen te halen (17% reductie t.o.v. 1990). Daarbij valt het op dat er alleen naar terugdringing van CO2 gekeken wordt en er daarbij wordt uitgegaan van de informatie, zoals die door het IPCC werd verstrekt.

Over de invloed van CO2 zijn de meningen wetenschappelijk gezien nogal verdeeld en geen weldenkend mens  twijfelt aan het feit dat CO2 een broeikasgas is, maar in de praktijk komen er nog veel meer broeikasgassen in de atmosfeer voor. Totaal geven die broeikasgassen op dit moment een opwarming van gemiddeld 33 graden Celsius en dat is maar goed ook, want anders was de wereld een ijsklomp.

Over de rol van het IPCC en de gebruikte klimaatmodellen heb ik al eerder geschreven.

Daaruit blijkt dat de klimaatgevoeligheid waar het IPCC vanuit gaat nog steeds erg discutabel is. Uit aanvullend onderzoek is bovendien gebleken dat die minder is dan als waar het IPCC op basis van schattingen in hun modelberekeningen vanuit gaat.

De voorspelde rampen blijken tot nu toe dan ook maar alleen zichtbaar in de uitkomsten van de oververhitte computers van de klimaatwetenschappers.

Ook rijst de vraag of de gekozen middelen om te komen tot CO2– reductie (wind, zon en biomassa) bruikbaar zijn om onze energievoorziening mee aan de gang te houden en een forse reductie van de CO2–uitstoot te realiseren.

Uit het rapport van de Rekenkamer blijkt nu al dat de verwachte reductie van 17% in de praktijk niet gehaald gaat worden, omdat de productie van hernieuwbare energie achter blijft bij de prognoses die door de branche zijn gegeven. De rekenkamer geeft daarover het volgende aan:

… dat het niet realistisch is om te verwachten dat Nederland met de huidige inzet de afgesproken doelen realiseert van 14 % duurzame energie in het jaar 2020 en 16 % in 2023. Sleutelen aan het belangrijkste instrument, de subsidieregeling SDE+, zou onvoldoende soelaas bieden, omdat deze regeling op hoofdlijnen goed in elkaar steekt. Om alsnog de met andere EU-lidstaten en via het nationale Energieakkoord afgesproken doelen tijdig te bereiken zijn op korte termijn besluiten van de minister van Economische Zaken (EZ) nodig.

Dat schrijft de Algemene Rekenkamer op 16 april 2015 in het onderzoeksrapport Stimulering duurzame energieproductie (SDE+) – haalbaarheid en betaalbaarheid van beleidsdoelen. Uit het onderzoek blijkt dat het effectief kan zijn om in de komende twee jaar maximaal € 12,8 miljard extra te  reserveren voor nieuwe windmolenparken op zee bovenop de € 58,9 miljard die toch al opzij gezet moet worden (van 2011 tot 2023). Zo’n ophoging betekent voor een gemiddeld Nederlands huishouden per jaar € 65 tot € 100 extra opslag op de energierekening. Totaal komt deze rekening dan in de buurt van € 1000 netto besteedbaar inkomen dat wordt weggetrokken bij de stroomgebruikers. Dat betekent een uitgave van € 72 miljard voor een zeer beperkt aandeel (16% geeft de Rekenkamer aan) hernieuwbare energie. De vraag is echter of dat dan genoeg is om lange–termijn doelen te halen.

De technische levensduur van windmolens zit tussen de 15 en 20 jaar en dan moeten ze, net als auto’s, koelkasten en cv ketels, ook weer vervangen worden.

€ 72 miljard voor 16 tot 17% zogenaamde hernieuwbare energie, terwijl in de praktijk de molens erg duur zijn en windmolens door het jaar heen gemiddeld niet meer dan 30% van het opgestelde vermogen leveren. Voor vernieuwing van deze windmolens zijn dan weer vele miljarden nodig. Dat is niet echt hernieuwbaar, wind is gratis maar windenergie is op deze manier haast onbetaalbaar.

Ook zijn in de berekeningen van de Rekenkamer nog niet meegenomen dat we zeer kostbare ‘stopcontacten’ op zee moeten bouwen en we het vraaggestuurde stroomnetwerk sterk moeten uitbreiden om die windpieken snel over het netwerk te kunnen verdelen. Deze kosten komen uiteraard ook voor de rekening van de gebruiker onder de post ‘netwerkkosten’. Ga je voor de productie van stroom het aandeel van windenergie opvoeren dan is het nog niet duidelijk hoe we deze pieken en dalen als gevolg van de  weersafhankelijke levering kunnen inpassen op ons vraaggestuurde netwerk. Ook is niet duidelijk waar we de energie vandaan moeten halen als het niet waait en er weinig zon is. Denk maar eens aan een mistige dagen in de winter, bij weinig wind in de nacht etc.

Urgenda geeft aan dat als we willen, we ook de reductie kunnen halen. Als je hun plannen leest, gaan ze als eerste uit van 50% energiebesparing en wat we dan nog nodig hebben, willen ze opwekken met wind, zon en biomassa. Daarbij geven ze aan dat we het netwerk kunnen stabiliseren met biomassa. Dat we dan meer dan 2,5 x de oppervlakte van Nederland nodig hebben alleen om de biomassa te produceren, wordt even niet in beeld gebracht. En als laatste wil Urgenda het transport elektrificeren iedereen aan de elektrische auto en vanaf 2030 gaan ze er van uit dat we de biomassa kunnen afbouwen.
Dat klinkt erg goed maar daarbij vergeten zij kennelijk dat elektriciteit geen energiedrager is. Je moet het wel opwekken en waarmee zij dat willen doen wordt niet aangegeven.

Het effect zal ook nog niet eens meetbaar zijn. Het is zuiver getuigenispolitiek. Als de invloed van CO2 zo groot is als door het IPCC wordt aangegeven, zal de reductie, zoals die door de overheid en Urgenda als oplossing wordt aangedragen, in de praktijk niet meer bedragen dan ongeveer 0,006 graad C. In de werkelijke wereld is dat absoluut niet meetbaar.

De regering gaat uit van een inzet van meer dan 70 miljard om daarmee 17% hernieuwbare energie te produceren. Dan is het geld opgebruikt en moeten de windmolens vervangen worden. Wind is gratis maar windenergie in de vorm van elektriciteit is peperduur en zonder vervanging van molens houdt het gewoon op.

Samengevat
De rechter gaat uit van door de partijen verstrekte informatie over de gevaarlijke opwarming die echter al 18 jaar geleden is gestopt. De temperatuur stijgt niet meer door, vandaar dat in de media niet meer gesproken wordt over temperatuurtoename, maar dat de warmste jaren en maanden van stal gehaald worden. Ook blijkt uit onderzoek  de klimaatgevoeligheid voor CO2 veel minder is dan waar het IPCC, op basis van schattingen, vanuit is gegaan.

De rechter neemt kennelijk aan dat we aan de knoppen van het klimaat kunnen draaien door CO2–reductie en dat een reductie van 17% niet echt een inspanning is. Dat kan makkelijk meer zijn geeft Urgenda aan. Maar dat is dan een sprookje, zoals dat van de nieuwe kleren van de keizer.

Wind en zon zijn weersafhankelijke energiebronnen en daarmee het grootste deel van onze energievoorziening op te baseren, zal niet gaan werken. Dan zitten we regelmatig zonder stroom. Om het net dan te balanceren wil Urgenda wind- en zonnestroom aanvullen met biomassa. Maar ook biomassa is niet voldoende beschikbaar. Bovendien kun je die beter gebruiken voor andere doelen dan verbranding.

De KNAW heeft daar een leerzaam visiedocument over uitgebracht. Dit document is te lezen als een samenvatting van de inzichten van de meest gerenommeerde onafhankelijke experts in binnen- en buitenland. In het document wordt een aantal betwistbare veronderstellingen, die aan de basis liggen van het beleid van zowel de Nederlandse regering als de Europese Commissie, onder de loep genomen. Zo is het twijfelachtig of het klimaat gebaat is bij biobrandstof of bij het meestoken van hout in kolencentrales. Die twijfel stelt het subsidiëren van deze vermeende alternatieven voor fossiele brandstoffen in een ander licht. De KNAW concludeert dat biomassa – waartoe ook frituurvet en landbouwafval worden gerekend – niet moet worden beschouwd als brandstof maar als grondstof.

De conclusie: het verbranden van hout in elektriciteitscentrales en van bio- ethanol en biodiesel in auto’s lijkt niet of nauwelijks bij te dragen aan besparing van CO2-uitstoot. Daarom zijn ze niet geschikt als middel voor de transitie naar een duurzame energievoorziening.

En dan nog het kostenplaatje, de Rekenkamer geeft aan dat we voor 17% ‘hernieuwbare energie’ geleverd in een periode van 15 tot 20 jaar een inzet van ongeveer € 72 miljard nodig hebben. Geld wat via de energierekening bij de burger wordt opgehaald.

En de rechter is van mening dat 25% een realistische doelstelling is. Dat hij daarbij dan een niet onderbouwde beleidsmatige afweging maakt en op de stoel van de regering gaat zitten, maakt kennelijk niet uit. En ook het feit dat je dan al snel spreekt over een totaal bedrag van naar schatting meer dan € 100 miljard is kennelijk evenmin een probleem.

Zowel de regering als Urgenda gaan uit van niet echt werkbare middelen om de CO2–reductie te realiseren. Maar als we het willen moet het kúnnen is dan de redenering.

Hoe kan met zoveel cognitieve dissonantie een rechter uitspraak doen?

Aldus Hugo Matthijssen.

Voor mijn eerdere bijdragen over klimaat en aanverwante zaken zie hierhier, hier, hier en hier.