Pieter Lukkes achtergrond Wind-Farm Flickr-940x626_bewerkt-1

Een gastbijdrage van Pieter Lukkes.

De zakelijke kant van windparken vertoont overeenkomsten met de tulpenmanie uit de jaren 30 van de 17e eeuw. Er worden waarden aan toegekend, die er intrinsiek niet zijn. Toch bestaat er bij ondernemers en bij overheden grote belangstelling om deze parken te realiseren.

Die belangstelling berust niet op ideële overwegingen. Dat geldt ook voor de plannen om in het IJsselmeer een giga-windpark te stichten. De Leeuwarder Courant meldt  op 29 februari 2016 waar het wel om gaat: “aan subsidie mag De Groot (de initiatiefnemer) gedurende een periode van 15 jaar honderden miljoenen euro’s verwachten.”

Door er aandeelhouder van te worden wil de provincie Fryslân van dit project meeprofiteren. Daar heeft zij €127 miljoen euro voor over. Deze provinciale voornemens roepen vragen op. In de eerste plaats liggen die op het gebied van de ruimtelijke ordening. Toen ik als planoloog in dienst trad van de provincie Fryslân werd mij gelijk ingeprent, dat het behouden en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteiten een provinciale kerntaak is. Hoe valt dat te rijmen met een windpark in het IJsselmeer? Door daar, nota bene in een Natura 2000 gebied, turbines te bouwen die 182 meter hoog mogen worden wordt een groot gebied toch gedegradeerd tot een kolossaal en laagwaardig industrieterrein?

Ook moeten er vragen worden gesteld bij het streven van de provincie om als aandeelhouder rendement uit het windpark te halen. Hoe denkt de provincie dat te doen? Windparken zijn immers zonder uitzondering onrendabel. Daarom kan het rendabel maken ervan nooit worden gerealiseerd in een win-winsituatie. Het gewenste rendement kan uitsluitend worden verkregen wanneer derde partijen daar voor bloeden.

Dit brengt ons bij, dr. Bart Tromp (1944-2007; groot socioloog, politicoloog en ideoloog PvdA), bij wie ik voor het eerst las over de “dictatuur van de deelbelangen” als politiek regiem. Kenmerkend voor dit regiem is dat het wars is van een wetenschappelijke screening van zijn beleid. Het gaat om het realiseren van zelfzuchtige doelen, niet om de vraag of die nuttig en nodig zijn. Zowel het windenergiebeleid als het Energieakkoord zijn hiervan sprekende voorbeelden. Onder dit dictatoriale regiem is het vanzelfsprekend, dat de onmachtige doorsnee burger het haasje is in de zin dat die voor het rendement moet zorgen.

Die €127 miljoen is van al die burgers. Mijn keus is om het onder de bevolking te verdelen. Dan kan elke huishouding in deze provincie ruim €400 beuren. De
voedselbanken zullen het effect ervan merken.

Vanwege de CO2  kan die uitkering best. Weliswaar willen de overheid, de windenergielobby en de milieuorganisaties ons wijs maken, dat “windparken” voor  een geringere uitstoot van CO2 zorgen maar de werkelijkheid is anders. Wat genoemde partijen verzwijgen is dat windparken qua CO2–uitstoot op zijn best quitte spelen, dus per saldo geen CO2–besparing veroorzaken. Deze uitspraak komt niet uit de koker van vermaledijde tegenstrevers van windenergie. Nee, de afzenders ervan zijn bijvoorbeeld het Centraal Planbureau, de Algemene Rekenkamer, het parlementair onderzoek kosten en effecten klimaat– en energiebeleid (2012) en het Rheinisch–Westfälisches Institut für Wirtschaftsforschung. Een flink aantal deskundigen (Udo, d’Oultremont, De Groot, Verkooyen, Le Pair, Van den Berg) maakt het echter aannemelijk dat de werkelijkheid nog ongunstiger is. Die werkelijkheid zegt dan dat de parken er sinds 2005 voor zorgen dat er per saldo méér CO2 wordt uitgestoten. Dit zo zijnde kan stroom uit windparken niet duurzaam zijn en dus ook niet bijdragen aan provinciale duurzame doelen. Daarom is de vrees gerechtvaardigd dat de hiervoor vermelde €127 miljoen zullen uitdraaien op een mis–investering; hetgeen zonde van het geld is.

Een kind kan voorspellen dat het windpark in het IJsselmeer vorderingen tegemoet kan zien van bijvoorbeeld kustbewoners, recreatieondernemers en eigenaren van vakantiehuizen. Een goede provincie zal zich achter deze groepen uit de eigen bevolking opstellen. Maar als aandeelhouder Fryslân dat doet, dan snijdt zij in eigen vlees. Want al die claims gaan ten koste van de winst die de provincie op de exploitatie van de turbines wil maken. Het is duidelijk dat de provincie in het belangenconflict tussen bevolking en projectontwikkelaars partij kiest voor de laatsten. Een raar soort volksvertegenwoordiging is dat!

Diverse politieke partijen zijn de buit al aan het verdelen maar zwijgen over de herkomst van die buit. Die herkomst is overigens gemakkelijk vast ter stellen. Windenergie is inderdaad heel winstgevend. In dit land lopen heel wat mensen rond die er miljonair door zijn geworden. Subsidie–miljonairs wel te verstaan. Want als er geen  subsidies zijn is er ook geen windenergie. De door de provincie nagestreefde winst zal ook uit de subsidies moeten worden gehaald. Die subsidies moeten uit een subsidiepot komen. Dat is geen pot waar het geld vanzelf in groeit. Nee, die moet door de huishoudens worden gevuld. Voor dat doel moeten zij een forse opslag op hun energierekening betalen. De buit, waar de politieke partijen op azen, komt dus uit de huishoudbeurzen van hun eigen kiezers, die ze daarmee beslist geen dienst bewijzen.

Aldus Pieter Lukkes (em. hgl. geografie RUG).

Voor mijn eerdere bijdragen over klimaat en aanverwante zaken zie hierhier, hier, hier en hier.