Een gastbijdrage van Hugo Matthijssen.

Vandaag las ik een artikel op de site van RTLZ met de volgende kop.

Plaats windmolens niet alleen op de Noordzee, maar spreid ze.

Lees je het artikel verder dan kom ik de volgende tekst tegen:

Er wordt veel geïnvesteerd in windmolenparken op de Noordzee. Maar de plaatsing van de molens zou meer gespreid moeten worden, om te voorkomen dat er op lange termijn problemen optreden bij de stroomvoorziening, zeggen onderzoekers. Er zou in Europa dan ook beter overlegd moeten worden waar windmolens worden gebouwd, concluderen wetenschappers uit Zwitserland en Groot-Brittannië. Ze deden onderzoek naar weermodellen en de gevolgen daarvan voor het opwekken van windenergie. Het probleem volgens de onderzoekers: omdat het zo hard waait op de Noordzee, wordt door omliggende landen zoals Nederland flink in windmolenparken op zee geïnvesteerd, maar daardoor worden we te afhankelijk van het gebied. Windenergie gaat namelijk een steeds groter deel van onze energievoorziening uitmaken.

Opmerking: nu klinkt windmolens erg romantisch. Het doet je denken aan schilderijen van vroeger tijden. In de praktijk zijn het gewoon windturbines en windmolenparken zijn industrieterreinen. Het gaat om turbines met meer dan 100 meter hoogte met enorme wieken.

Tot zover kun je daar niets van zeggen. Als je windturbines meer uit elkaar plaatst werken ze iets efficiënter en je verplaats een paar grote pieken op het net naar meer kleinere en ook dat kan ‘nuttig’ zijn voor de inpassing van windstroom op ons netwerk. Aan de andere kant is daar nu niet voor gekozen omdat juist het koppelen van windmolenparken op een transportverbinding naar land de kosten enorm verlaagt. En daar kiest Tennet voor. Zou je ze spreiden, dan ga je terug in de tijd en moet ieder windturbinepark apart worden aangesloten en dat kost al snel minimaal 15% meer in de projectkosten

Bij de ‘oplossing’ van de onderzoekers blijven de meerkosten voor al die extra aansluitingen buiten beeld.

Waar het echt mis gaat is het volgende: zij geven aan dat spreiding een verbetering van de productiviteit zou kunnen leveren van 50 Gigawatt en dat is geen waarde voor stroomproductie maar van opgesteld vermogen daar kom ik verderop op terug.

En in de de volgende tekst maken ze dezelfde fout: ‘alle Nederlandse windmolens bij elkaar waren volgens het CBS in 2016 goed voor een maximale productiecapaciteit van 4 Gigawatt (4000 megawatt).

Nederlandse windmolenparken. Nederland bouwt in totaal vijf grote windmolenparken voor de kust in de Noordzee, stuk voor stuk goed voor 700 megawatt. Alle parken moeten in 2023 in bedrijf zijn en kunnen dan volgens minister Kamp van Economische Zaken 5 miljoen huishoudens van elektriciteit voorzien. Kortom: 50 Gigawatt verschil is veel.’

Eerst maar even een voorbeeld: Stel ik heb een lamp van 100 watt die ik een jaar lang 24/24 uur laat branden dan gebruik ik per jaar 24 x 365 x 100 watt = 876000 watt uur (Wu) wat neer komt op 875 KWu per jaar. In de praktijk gebruik ik echter die lamp niet meer dan 2 uur per dag, wat betekent dat ik op een gebruik uit kom van 73 KWu per jaar. Een groot verschil! En net zoals je het gebruik van een huishouden per jaar aangeeft in kilowatt uur, moet je ook de productie van een stroombron per jaar aangeven in KWu of MWu als het een windmolen betreft.

Een windturbine levert niet 24/24 uur zijn opgestelde vermogen de levering loopt op met de windsnelheid tot de 3e macht. Dat betekent tot windkracht 4 heel weinig levering en tussen windkracht 4 en 6 loopt dat op naar het opgestelde vermogen waarop die is afgeregeld, zodat bij windkracht 6 en hoger het maximum wordt geleverd. Neem je het opgestelde vermogen maal het aantal uren per jaar dan leveren windturbines op het land gemiddeld tussen de 21 en 25% daarvan ( afhankelijk van het jaarlijks wisselende windcijfer) en bij wind op zee kom je ergens uit op 30 tot 40%. En de levering van windturbines is nog steeds een aantal MWu per jaar en geen megawatt of gigawatt dat is technisch onzin.

En dan komen we nu meteen ook aan een ander probleem. Er wordt gesproken over de levering aan 5 miljoen huishoudens dat is veel zou je zeggen uitgaande van 3200 tot 3600 KWu per huishouden jaar. Maar als je dat afzet tegen ons totale energiegebruik is dat relatief weinig.

Nu even de rekensom. In Nederland hadden we in 2016 ongeveer 7,3 miljoen huishoudens en alle huishoudens gebruikten samen ongeveer 20% van de stroomproductie. Dat betekent dat gezien de info van Kamp er van wordt uitgegaan dat dan alle windturbineparken in Nederland in 2023 13,7% van de stroomproductie gaan leveren (5 : 7,3) x 20%).

Het aandeel stroom in ons totale energiegebruik is ongeveer 14%. Dat betekent dat in de praktijk deze windparken in 2023 totaal per jaar niet meer dan enkele procenten van ons energiegebruik gaan produceren. En daarvoor gaan we minimaal 18 miljard uitgeven! Daarbovenop komen nog de miljarden voor de aansluiting van deze windparken, die via de netwerkkosten door Tennet worden opgehaald.

Kijk met dit in het achterhoofd nog eens naar het bericht.

‘Windenergie gaat namelijk een steeds groter deel van onze energievoorziening uitmaken.’

Tot zover het artikel van RTL. Laten we nu ook nog even wat verder kijken. We hebben een ‘energieakkoord’. Naar die toekomst toe gaan we rekenen in PJ (1000 GWh = 3,6 PJ).

Eerst even terug naar 2016. Toen was het aandeel in de energieproductie uit hernieuwbare bronnen in Nederland 5,9 procent.

Dit schrijft het CBS:

Het verbruik van hernieuwbare energie in Nederland bedroeg in 2016 in totaal 125 petajoule (PJ) , dit is 5 procent meer dan het jaar daarvoor. Biomassa is met bijna 63 procent van het totaal verreweg de grootste bron van hernieuwbare energie. Het energieverbruik uit deze bron is met 2 procent afgenomen, terwijl het energieverbruik uit zon en wind gemiddeld met ruim 20 procent is gestegen. Het totale finale energieverbruik in Nederland is vergeleken met 2015 gestegen met bijna 4 procent naar 2119 PJ.

Bron hier.

Uit de grafiek in bericht van het CBS kun je het volgende halen: Van die 125 PJ hernieuwbare energie in 2016 kwam 79,03 PJ uit biomassa (voornamelijk verbranden van bomen in centrales en voedselgewassen verwerkt tot motorbrandstoffen), 29,95PJ werd geleverd door windmolens (echter verzuimd wordt om daar de inpassingsverliezen van af te trekken), en van de rest kwam 6,75 PJ van zonnepanelen en 6,7 uit aardwarmte en als laatste 2,64PJ via warmtepompen uit de buitenlucht. De praktijk: het klinkt goed dat in 2015 het aandeel hernieuwbaar met 5% was toegenomen. Maar 5% van heel weinig is niet echt veel.

Totaal werd van finale energiegebruik van 2119PJ niet meer dan 29,95PJ met windmolens geproduceerd en dat is 1,4% van ons finale energiegebruik. Na invoering van het energie-akkoord is het de bedoeling dat we 20% van onze energie uit hernieuwbaar halen. En dan is het wind aandeel opgelopen tot maximaal 3 á 4 procent. Ook dan zal meer dan 60% van wat hernieuwbaar genoemd wordt, uit biomassa moeten komen. Dat betekent dat 12% van ons totale energiegebruik uit biomassa moet komen en dat is niet een echte oplossing je sloopt letterlijk te veel bossen.

Toelichting: Het finale energiegebruik is de hoeveelheid energie die beschikbaar komt na aftrek van alle productieverliezen. Om een voorbeeld te geven, als we kijken naar het rendement van onze elektriciteitsproductie dan is dat gemiddeld 40% van de potentiële energie uit daarvoor gebruikte energiedragers zoals kolen en gas.

Zie ook de reportage van Zembla.

Haal je de biomassa uit het energieakkoord dan is er nauwelijks nog wat over. Windenergie levert maar een klein aandeel in dat akkoord – wat begrijpelijk is omdat windenergie niet echt energie-intensief is. Hier kun je lezen hoe dat komt.

Aldus Hugo Matthijssen.

Voor mijn eerdere bijdragen over klimaat en aanverwante zaken zie hierhier, hier, hier en hier.