Close preview
Malthus x Marx is Club van Rome
Alle wegen van RIO leiden naar het netwerk rond Maurice Strong/WWF en de Club van Rome, waarvan president Aurelio Peccei ook bestuurslid van het WWF was. De Club van Rome is vernoemd naar een door Peccei aangestuurde conferentie in 1968 aan de Academia dei Lincei.
Voor liefhebbers van symboliek, RIO betekent ook ´Reshaping the International Order´, RIO was een spinoff-beweging van de Club van Rome.
Institute for Applied System Analysis: Marx x Malthus Peccei was ook de stichter van het IIASA in 1972, de broedplaats van het Europese ‘systeemdenken’, dat fungeerde als wetenschappelijke brug tussen de Sovjet Unie en het Westen.
Het IIASA levert veel IPCC- hoofdauteurs, waaronder ex-RIVM´er Joe Alcamo, nu lid van Club van Rome-spinoff de Balatongroep, waarvan de ontwerpers van de Ecologische Voetafdruk ook lid zijn. KNAW-lid Louise Vet is lid van de adviesraad van de moderne Club van Rome, met Milieudefensie-journalist Maurits Groen.
Het IIASA- waarvan klimaatretoricus Pavel Kabat nu onderzoeksdirecteur is als opvolger van Mr Zure Regen Leen Hordijk- heeft nog steeds jaarlijks de Aurelio Peccei-lezing. Zie ook deze 1974-presentatie van een ´wereldeconomisch multilevel computer model´. Het is initiator van Club van Rome conferenties, en de Club van Rome is nu gevestigd in Oostenrijk.
De Club van Rome broedde ook al op een voorloper van het IPCC Dat lees je in Limits to Growth als ze de oprichting aanbevelen van
‘een wereldforum waarin staatslieden, beleidsvormers en wetenschapsmensen de gevaren en de verwachtingen voor het toekomstige mondiale systeem kunnen bespreken’.
RIO: Reshaping International Order met Marx en Malthus De eerste presentaties van de bevindingen van de Club van Rome vonden ook plaats in Rio de Janeiro in oktober 1971. En in Moskou. Wat mij vooral boeit is hoe- wetenschappelijk omstreden stellingnames uit ´wereldomvattende modellen´, een combinatie van Marx en Malthus zo´n grote invloed konden krijgen in mondiaal beleid. Daarover gaat de rest van dit blog. Lees verder »
'Het WNF hoofdkantoor straalt macht uit', zo schrijft sociaal geograaf Pieter Lukkes in 'Klimaatbeleid in Eurocrisistijd'
Wat zeggen milieueconomen over de Ecologische Voetafdruk, dé zondenindicator waarmee het Wereldnatuurfonds ons via media belaagt, zoals nu weer in het ‘Living Planet Report’?, dat de Telegraaf gezagsgetrouw overpent? Lees Nathan Fiala’s ‘Measuring Sustainability: why the ecological footprint is bad economics and bad environmental science‘ in Ecological Economics in 2008.
Wat zeggen milieuactivisten/journalisten over de Ecologische Voetafdruk? Wat krijg je, wanneer een fondsenwervende campageclub jaarlijks meer dan 60 miljoen euro fondsen werft/subsidies (25 maal campagnebudget VVD)- en dat budget -afgaand op hun personele bezetting in fte (zie jaarverslag 2010)- voornamelijk besteedt aan meningsbeinvloeding via media:
Als iedereen in de wereld net zoveel zou consumeren als de gemiddelde Nederlander in 2008, zou er drieënhalve aarde nodig zijn om dit mogelijk te maken
In EOS schreef ik al over de ernstige wetenschappelijke tekortkomingen van de mateloos populaire maar ecologisch onzinnige Ecologische Voetafdruk. Het grootste bezwaar is valse concreetheid: het concept is neo-malthusiaans en neemt ‘oppervlak’als absolute maat van alle dingen, wil álle CO2 compenseren via de meest ruimte-intensieve manier en straft iedere vorm van economische activiteit per oppervlak.
Vooraanstaande milieu-economen als Jeroen van den Bergh vroegen zich in Environmental Science & Technology al af ‘hoe het kan dat dit concept zo populair blijft, ondanks de vele methodologische tekortkomingen’. In mijn blog over WWF-steun en toeverlaat Maurice Strong schreef ik al over de herkomst van de voetafdruk.
Beste Jeroen: een half miljard euro campagnegeld per jaar, het kuddeinstinct van mensen en het grenzeloze onbenul van de journalistiek op dit gebied zijn een goede verklaring. Lees verder »
by Hans Erren published online 7 may 2012
Abstract A remarkable periodicity in the Mauna Loa Carbon Dioxide observations makes it possible to forecast the lower tropospheric temperature twentyfive years ahead. Using the carbon dioxide thermometer of Jarl Ahlbeck, a major El Nino is forecast in 2013 and a “Super El Nino” of 0.66 degrees in 2023.
Lees verder »
De transitie naar een groene economie Eerder in deze reeks had ik het over de dure overgang van fossiele energievoorziening naar duurzame bronnen. Vaak wordt gesteld dat die omslag onderdeel is van de broodnodige en onvermijdelijke transitie naar een groene economie. Net zoals we van een agrarische economie naar een industriële-, en vandaar naar een diensten-economie gingen, zo gaan we nu van de diensten- naar de groene economie, met allemaal groene duurzame banen. We zouden als Nederland hierin voorop moeten lopen, wat tot een prachtige opbloei van onze economie zou leiden.
Deze suggestie getuigt van een ernstig gebrek aan economisch inzicht.
Vorige transities De agrarische periode kwam ten einde omdat we door nieuwe technologie met een tiende van het aantal mensen evenveel voedsel konden produceren. Daardoor kwam er ruimte voor bevolkingsgroei, het bouwen van enorm veel huizen, en het produceren van allerlei apparaten die ons leven aanzienlijk veraangenaamd hebben: de transitie naar de industriële periode.
Door de verregaande automatisering van de productie (dank zij goedkope fossiele energie) daalde ook in de industrie de behoefte aan arbeid enorm, en konden vervolgens steeds meer mensen ingeschakeld worden voor diensten zoals de medische zorg, onderwijs, vrijetijdsbesteding, de detailhandel, kortom, alles waardoor wij nu na een transitie naar een diensteneconomie een koninklijk bestaan leiden en comfortabel drie maal zo oud worden als de mens in zijn historie gemiddeld werd.
Transities zijn alleen mogelijk als er een dramatische efficiencyslag gemaakt is in een bestaande situatie. Pas dan komt er arbeid en kapitaal beschikbaar voor een transitie naar een nieuwe economische structuur. Lees verder »
Onkruid/biodiversiteit verovert verlaten militaire basis
In aanloop naar de Earth Summit in Rio in juni zullen noodkreten en alarmistische verliescijfers van biodiversiteit ons weer om de oren vliegen, en dat onze Westerse welvaart de schuldige is. Waar zijn getalsmatige noodkreten op gebaseerd, en is welvaart wel de boosdoener of juist armoede?
Nederlandse bureaubiologie hofleverancier UNEP/TEEB en alarmfabriek Vooral de bureaubiologie van het Planbureau voor de Leefomgeving is mondiaal in trek zoals via The Economics of Ecosystems and Biodiversity (TEEB), ook bij onze politici. Bij het debat van de Koefnoencoalitie kwam Esther Ouwehand van de partij voor de Dieren steeds op de proppen met de volgende bewering, om Verbindingszones op de politieke agenda te houden:
‘We hebben nog maar 15 procent van de oorspronkelijke natuur over in Nederland’.
Waar komt dat getal vandaan? Die 15 procent is afkomstig van het Planbureau voor de Bureaucratische Leefomgeving(PBL), maar ontbeert ieder raakvlak met de werkelijkheid omdat het verandering gelijkschakelt aan achteruitgang. Ook wekt het de suggestie dat welvaart en economische ontwikkeling gelijkstaan met achteruitgang van natuur. Dat is in veel gevallen onzin.
Zoals Arthur Rörsch al opmerkte, volhardt de KNAW in het negeren van ernstige kritiek van medewetenschappers op de in oktober uitgebrachte klimaatbrochure. Het lijkt erop dat men de lippen stijf op elkaar houdt en erop hoopt dat de storm wel zal luwen wanneer Dijkgraaf naar de VS vertrokken is. Maar zo gemakkelijk zal dat niet gaan.
De kritiek zwelt aan en raakt nu de KNAW zelf Vandaag is een vierde, deze keer aanzienlijk scherper geformuleerde brief aan president Dijkgraaf gestuurd. Na de vorige brieven aan de KNAW en ons symposium in Nieuwspoort, waarin de nadruk lag op de (klimaat-) wetenschappelijke inhoud, focust deze brief zich vooral op de laakbare houding van de KNAW in deze affaire. Dit aspect stelde ik al aan de orde in mijn presentatie in Nieuwspoort, waarvan u hier het videoverslag kunt bekijken. U kunt zich voor deze gelegenheid beperken tot het stuk van de 17e tot de 23e minuut, zoals onder aan te klikken. De letterlijke teksten die ik aanhaalde vindt u in mijn schriftelijke presentatie.
De brief stelt onomwonden dat Dijkgraaf door het negeren van kritiek de KNAW in diskrediet heeft gebracht. Immers: de organisatie mengt zich wel met veel aplomb in het publieke debat, maar verwaardigt zich vervolgens niet om op serieuze wetenschappelijke kritiek te reageren. Dit roept de ernstige vraag op, of deze opstelling wel te rijmen is met de geheel onafhankelijke status van de KNAW. Die vereist namelijk een volstrekte integriteit en grote wetenschappelijke zorgvuldigheid.
Zo is de affaire van een onenigheid over een brochure geëscaleerd tot een dispuut over het functioneren van de KNAW in het publieke debat, en de vrijheid die zij zich daarbij kan permitteren, gezien haar missie. Lees verder »
Duurzame bronnen produceren energie, maar vaak niet waar en wanneer we die nodig hebben. In Denemarken met zijn grote windcapaciteit is bijvoorbeeld ongeveer 40% van de windenergie op het moment van levering niet nuttig te gebruiken. Een goede uitleg hiervan vindt u in deze grondige studie.
Dit probleem valt niet op te lossen: opslag van elektriciteit is onbetaalbaar in geld en energiekosten, voor zover er al opties voor bestaan. Dit levert twee grote problemen op:
1. Kosten infrastructuur We kunnen vaak een groot deel van de duurzame energieproductie alleen maar gebruiken op relatief grote afstand van de plaats van opwekking. Dit zorgt voor zeer hoge kosten aan versterking van het stroomnet. We praten wederom over tientallen miljarden. Insiders uit het netbeheer weten dat Nederland met een enorm probleem zit met de elektrische infrastructuur als de 20% duurzame doelstelling echt gehaald zou worden met zon en wind. De gigantische bedragen, die nodig zouden zijn om het net daarvoor geschikt te maken, worden vooralsnog niet uitgegeven, omdat men in de energiewereld verwacht dat we vér bij die 20% uit de buurt zullen blijven.2. Inpassing – de ‘windparadox’ Een veel groter probleem is echter de inpassing van grillige wind- en zonne-energie in het op dit moment precies uitgebalanceerde net. In principe komt het erop neer dat je (als je geen grote waterkracht centrales hebt om mee te regelen) voor sterk wisselende energiebronnen zoals wind en zon, zeer snel opstartende en snel regelbare gascentrales als back-up moet bouwen. Deze hebben een lage efficiency van circa 35%. Zonder duurzame bronnen zou je complexe (combined cycle) centrales kunnen bouwen die minder flexibel zijn, maar wel een rendement hebben van tegen de 60%.Aangezien de duurzame bronnen gemiddeld minder dan een derde van de tijd stroom leveren, moet je dus méér dan 2/3 van de elektriciteit van de wind-gas combinatie met laag rendement uit gas opwekken. Zonder duurzame bronnen kun je 100% van de stroom met hoog rendement uit gas produceren. De situatie mét duurzame bronnen leidt op basis van deze getallen tot zelfs netto 15% méér gasverbruik, dan wanneer deze duurzame bronnen nooit op het net zouden worden aangesloten. Deze ‘windparadox’ wordt angstvallig onder tafel gehouden door de voorstanders van duurzame bronnen. Lees verder »
1. Kosten infrastructuur We kunnen vaak een groot deel van de duurzame energieproductie alleen maar gebruiken op relatief grote afstand van de plaats van opwekking. Dit zorgt voor zeer hoge kosten aan versterking van het stroomnet. We praten wederom over tientallen miljarden. Insiders uit het netbeheer weten dat Nederland met een enorm probleem zit met de elektrische infrastructuur als de 20% duurzame doelstelling echt gehaald zou worden met zon en wind. De gigantische bedragen, die nodig zouden zijn om het net daarvoor geschikt te maken, worden vooralsnog niet uitgegeven, omdat men in de energiewereld verwacht dat we vér bij die 20% uit de buurt zullen blijven.
2. Inpassing – de ‘windparadox’ Een veel groter probleem is echter de inpassing van grillige wind- en zonne-energie in het op dit moment precies uitgebalanceerde net. In principe komt het erop neer dat je (als je geen grote waterkracht centrales hebt om mee te regelen) voor sterk wisselende energiebronnen zoals wind en zon, zeer snel opstartende en snel regelbare gascentrales als back-up moet bouwen. Deze hebben een lage efficiency van circa 35%. Zonder duurzame bronnen zou je complexe (combined cycle) centrales kunnen bouwen die minder flexibel zijn, maar wel een rendement hebben van tegen de 60%.
Aangezien de duurzame bronnen gemiddeld minder dan een derde van de tijd stroom leveren, moet je dus méér dan 2/3 van de elektriciteit van de wind-gas combinatie met laag rendement uit gas opwekken. Zonder duurzame bronnen kun je 100% van de stroom met hoog rendement uit gas produceren. De situatie mét duurzame bronnen leidt op basis van deze getallen tot zelfs netto 15% méér gasverbruik, dan wanneer deze duurzame bronnen nooit op het net zouden worden aangesloten. Deze ‘windparadox’ wordt angstvallig onder tafel gehouden door de voorstanders van duurzame bronnen. Lees verder »
Belastingvrije feed-in van PV en wind kost ons tientallen miljarden
Wie mijn energieblogs heeft gevolgd, weet dat ik een fervent voorstander ben van het decentraliseren van de elektriciteitsopwekking. Het is pure waanzin om aardgas te verbranden op een temperatuur van 1200 graden om een huis drie graden op te warmen. Daarmee verspillen we 90% van de energetische potentie van het gas. Dit is extra wrang, aangezien we tegelijkertijd in onze gascentrales elektriciteit opwekken, waarbij we 40% tot 65% van de energie-inhoud van het gas, in de vorm van afvalwarmte, de rivier in pompen.
Je moet ons aardgas gebruiken om stroom mee op te wekken op een plaats waar je de restwarmte kunt gebruiken, dus liefst in onze huizen of kantoren. Dat we door betere huizen en kantoren vaak al meer koeling dan verwarming nodig hebben maakt niet uit. Je kunt vrij eenvoudig koude maken met restwarmte.
Decentrale energie opwekken met SOFC De beste kansen voor een dergelijke decentrale energieopwekking liggen bij keramische brandstofcellen. De toepassing van deze SOFC-technologie in onze CV-ketels en warmwatervoorziening leidt tot halvering van ons gasverbruik voor elektriciteitsopwekking. Er is geen enkel scenario voor reductie van fossiel energiegebruik met wind of zon te bedenken, dat daar ook maar enigszins bij in de buurt komt. Lees verder »
Op verzoek van Energy Expert heb ik mijn onder tijdsdruk geschreven en veel te lange Catshuis blog in stukken geknipt en verder uitgewerkt. Vanwege de politieke actualiteit zal ik deze serie ook hier plaatsen, vandaag te beginnen met deel 1.
Hoe werkt de duurzame economie? De duurzame energiediscussie berust vaak op uiterst optimistische verwachtingen van de economische haalbaarheid van een snelle opschaling van duurzame bronnen ten koste van fossiel energiegebruik. De wens is daarbij vaak de vader van de gedachte. De bijbehorende sommetjes blijken namelijk nogal eens niet of uiterst onzorgvuldig gemaakt te zijn. Vaak is de oorzaak een fundamenteel gebrek aan begrip van hoe onze economie werkt. Daar ga ik in deze serie dieper op in, elke keer toegespitst op een ander aspect van duurzame energie. Eerst is een uitstapje nodig naar de economische basisbegrippen en de status quo van onze landsbegroting.
Je kunt een euro maar één keer uitgeven Ieder zinnig mens begrijpt dat we ons geld maar één keer kunnen uitgeven. Dat geldt ook voor geld dat we door de staat laten besteden. We hebben ervoor gekozen om een fors deel van ons geld te laten uitgeven door de overheid. De totale hoeveelheid beschikbaar geld neemt daardoor natuurlijk niet toe. Er is dus één pot – ons inkomen – waaruit we alles betalen, zowel de overheidsuitgaven als onze privé-uitgaven. Kunst-, cultuur-, wind- en zonnesubsidies, onderwijzers, verpleegsters, windmolens en wegen, maar ook onze eigen uitgaven aan hypotheek, energie, vakantie, uitgaan en pensioen. Alles moet uit uw inkomen komen. Méér van het één is minder van het andere, simple as that. Lees verder »
In vergelijking met het buitenland staan we zeker niet op achterstand. In de VS vliegen de voor- en tegenstanders van de menselijke broeikashypothese (AGW = Anthropogenic Global Warming) elkaar nog voortdurend in de haren met ad hominem aanvallen of nog erger.
In Nederland zijn er nog maar weinig klimaatalarmisten, bijvoorbeeld Van Soest en Bregmans, die zo’n soort benadering kiezen, en zich daardoor zelf buiten de serieuze, inhoudelijk discussie plaatsen. Als we hen even vergeten, dan zien we dat in ons land er wel degelijk goede discussies tussen protagonisten en antagonisten hebben plaatsgevonden, deels op websites, deels ook in meer besloten gedachtewisselingen in kleinere e-mail circuits.
Ik ken verschillende voorbeelden waarbij antagonisten en protagonisten tenminste enig wederzijds respect voor hun uiteenlopende standpunten hebben getoond bij intensieve gedachtewisselingen via e-mail.
Het KNMI, nog steeds hoofdzakelijk de verkondiger van de AGW-doctrine van het VN-Klimaatpanel (IPCC), heeft enige malen gerenommeerde klimaatsceptici voor seminars in de Buys Ballot-zaal uitgenodigd. Dat lijkt op het eerste gezicht mooi. Of is het alleen maar een gratuite tegemoetkoming aan de wens van de overheid dat er ook geluisterd dient te worden naar AGW-sceptische geluiden, terwijl men in AGW-protagonistische kring toch stug blijft volharden in het verkondigen van eigen standpunten, op grond van gemeende grotere expertise dan die van de antagonisten?
Een akelig voorbeeld is de discussie over de zogenoemde KNAW-klimaatbrochure. In deze brochure werden veronderstelde feiten over klimaatveranderingen gepresenteerd, die vervolgens door enkele tientallen klimaatsceptische wetenschappers werden betwist, op grond waarvan zij de KNAW hebben verzocht de brochure in te trekken. De KNAW weigerde een formele inhoudelijke reactie te geven op dit protest. Ook een recent rappel wist de KNAW niet te vermurwen om inhoudelijk in te gaan op de zeer nauwkeurig geformuleerde bezwaren tegen de brochure. Men hult zich in stil- zo niet doodzwijgen. Lees verder »